“Het was maar een kroegavondje”
Ik noem het nog steeds “die borrel”, alsof het ging om zomaar een vrijdagmiddagdrankje met collega’s. In werkelijkheid was het de avond waarop ik de grens over ging waarvan ik altijd dacht: dat gebeurt mij nooit.
Ik was 35, al tien jaar samen met Ruben, moeder van één dochter, en compleet vastgeroest in een voorspelbaar ritme van werken, koken, series kijken en vroeg naar bed.
Mijn collega’s stelden voor om na een lange werkweek “even één drankje” te doen in een bruine kroeg in het centrum van Den Haag. Zo eentje met van die oude barkrukken, scheve schilderijen en een bar waar iedereen te dicht op elkaar staat. Ik zei ja, vooral omdat ik even niet de Lisa wilde zijn die lijstjes maakt voor school, opvang en boodschappen, maar de Lisa die ooit tot sluitingstijd aan de bar hing en teveel Marlboro rookte.
De kroeg, de sfeer en die ene blik
De kroeg was vol, warm, lawaaiig, en precies wat ik nodig had. We stonden met z’n vijven aan een hoge tafel, glazen witbier en wijn voor onze neus. De eerste ronde ging nog over targets en irritante klanten, maar na twee glazen kantelden de gesprekken langzaam naar scharrels van vroeger en gênante zoenpartijen in discotheken die allang niet meer bestaan.
Ik voelde me licht, losser dan ik in tijden geweest was. Toen ik naar de bar liep om een nieuwe ronde te halen, kwam hij in beeld: een man van eind dertig, donker T‑shirt, lichte spijkerbroek, dat nonchalante soort knap waarvan je meteen ziet dat hij zich nergens om druk maakt. Hij maakte een grap tegen de barman, ik moest lachen, en hij ving dat op.
“Zal ik er nog eentje bijdoen voor jou?” vroeg hij, terwijl hij naar mijn lege glas keek.
“Alleen als je ook mijn geweten overschenkt,” zei ik, zonder na te denken.
Hij lachte. “Deal. Maar dan wil ik weten wat je geweten zo zwaar maakt.”
De klik die je niet plant
Hij heette Tom. Geen ring, geen subtiele afdruk van een ring, geen hints naar een thuisfront. Ik vroeg er niet naar, hij vroeg niets over Ruben. Het voelde als een onuitgesproken afspraak: wat we hier deelden, bestond alleen binnen deze muren.
We praatten eerst luchtig – muziek, vakanties, slechte dates uit het verleden. Langzaam werden zijn vragen persoonlijker. Of ik gelukkig was. Of ik mezelf zag zoals ik vroeger was. Of het leven geworden was wat ik me had voorgesteld toen ik twintig was.
Die laatste vraag raakte iets. Ik hoorde mezelf zeggen: “Ja, op papier. Maar op papier ruik je geen vaatwastabletten en hoor je geen peuter die om zes uur ’s ochtends ‘mamaaa’ roept.”
Hij glimlachte. “Je klinkt als iemand die best even wil vergeten dat ze een vaatwasser heeft.”
Zijn hand raakte die van mij toen ik mijn glas pakte. In mijn buik trok iets samen wat ik lang niet had gevoeld. Niet alleen lust, maar ook het gevoel weer gezien te worden als vrouw, niet als functionerende rol in een huishouden.
Het glijdende vlak
Ik zei tegen mijn collega’s dat ik nog “heel even” bleef hangen omdat ik een oude bekende was tegengekomen. Niet eens een heel grote leugen – hij voelde inderdaad vertrouwd, op een gevaarlijke manier. Zij zwaaiden, riepen dat ik een taxi moest nemen naar huis en verdwenen de koude lucht in.
In de kroeg werd het drukker, de muziek harder. Tom en ik stonden steeds dichter bij elkaar om elkaar te verstaan. Op een gegeven moment voelde ik zijn adem bij mijn oor toen hij iets zei, en ik draaide mijn hoofd net iets te ver. Onze neuzen raakten elkaar, zijn hand gleed automatisch naar mijn onderrug.
“Dit is het moment waarop ik normaal wegloop,” hoorde ik mezelf zeggen.
“En wat doet de versie van jou die je vanavond wilt zijn?” vroeg hij.
Die vraag bleef hangen. De versie van mij die ik was – loyale vriendin, verantwoordelijke moeder, harde werker – zou nu haar jas pakken, een appje sturen naar Ruben en in de trein springen. De versie die ik ooit was – impulsief, onbezonnen, schaamteloos nieuwsgierig – wilde weten hoe het voelde om weer eens uit de bocht te vliegen.
Ik bleef staan.
De kus in de rokerige hoek
“Kom,” zei hij, “het is hier te druk.”
Hij trok me mee naar een stillere hoek bij de toiletten, waar het licht zachter was en de muziek gedempt. Mijn hart bonsde in mijn keel. Het had nog steeds bij flirten kunnen blijven, bij een paar onschuldige grapjes en een te lange omhelzing.
Maar toen hij een pluk haar achter mijn oor streek, miste mijn verstand zijn laatste kans. Hij boog zijn hoofd, ik deed mijn ogen dicht, en ineens stond ik te zoenen alsof ik 22 was en net studentenpas had gekregen.
Ik voelde zijn handen in mijn zij, mijn rug tegen de muur, de zo vertrouwde lichtheid van veel alcohol in mijn bloed. Er was geen ruimte meer voor moraal of toekomstscenario’s, alleen voor het nu.
Toen we loskwamen, keek hij me een moment zwijgend aan.
“Als we hier nu stoppen, ga je je dit nog jaren afvragen,” zei hij zacht. “Wat als ik was meegegaan.”
Het irritante was: hij had gelijk.
Het hotel om de hoek
De kroeg bleek, hoe voorspelbaar, een hotel om de hoek “te kennen”. Hij regelde een kamer alsof hij het vaker had gedaan – iets wat ik maar half bewust registreerde. De straat was koud, de lobby warm en anoniem. In de lift voelde ik mijn telefoon trillen. Een app van Ruben: “Alles goed? Hoe laat kom je thuis?”
Ik staarde naar het scherm, naar zijn naam, naar onze laatste foto samen waarin we lachend met onze dochter op het strand stonden. Ik had terug kunnen sturen: “Ik pak zo de trein.” In plaats daarvan zette ik mijn telefoon op stil en stopte hem achter in mijn tas.
Op de kamer ging alles snel en tegelijk vertraagd. Kleren die op de grond vielen, handen die zoeken, lichamen die na jaren weer eens verrast worden. Het was geen filmseks, eerder een mengeling van onhandigheid en honger. Ik dacht aan helemaal niets, en dat was misschien nog wel het meest verslavende gevoel.
De ochtend erna: schuld en helderheid
Ik werd wakker van het licht dat langs het gordijn sneed. Mijn hoofd bonsde, mijn keel was droog. Tom lag half op zijn zij naast me, ogen dicht, armen losjes. Voor een paar seconden wist ik niet waar ik was. Toen kwam alles terug – de kroeg, de kus, het hotel.
Schuld kwam als eerste. Rauwe, zure schuld, die in mijn maag draaide. Ik dacht aan Ruben, die waarschijnlijk wakker was geworden met onze dochter op zijn buik, en aan mijn “laat ik nog één drankje doen”-appje van gisteravond.
Tom opende zijn ogen en glimlachte slaperig. “Goedemorgen, dubbele leven.”
Ik lachte, tegen mijn wil in. “Dit is geen leven, dit is… een uitglijder.”
Hij haalde zijn schouders op. “Een uitglijder die je blijkbaar nodig had.”
En daar, ergens tussen de vieze hotelkoffie en de gehaaste douchebeurt, gebeurde er iets wat ik niet had verwacht: naast de schaamte voelde ik een soort helderheid. Niet “ik moet bij Tom zijn”, maar: ik kan zo niet verder zoals het was. Ik was zó ver over mijn eigen grenzen heengegaan, dat het bijna schrikbarend duidelijk werd hoe ongelukkig ik diep vanbinnen was geraakt in mijn veilige leventje.
Terug naar huis – en naar mezelf
Ik loog niet toen ik thuiskwam. In elk geval niet helemaal. Ik vertelde Ruben dat het laat was geworden, dat ik teveel had gedronken en op de bank van een collega was blijven slapen. Hij rolde met zijn ogen, maakte een grapje over “midlife-mama in de stad” en zette koffie voor me.
Diezelfde week heb ik wél de waarheid verteld – niet in details, maar genoeg om de bom te laten barsten. Ja, ik was in een kroeg met iemand anders geweest. Ja, het was meer geworden dan flirten. Ja, ik schaamde me. En nee, het lag niet alleen aan “de alcohol” of “de verleiding”.
Ruben was kapot. Boos, verdrietig, defensief. We hebben geschreeuwd, gehuild, wekenlang om elkaar heen gedraaid. Maar ergens, hoe wrang ook, dwong die nacht ons om eindelijk het gesprek te voeren dat we al jaren voor ons uitschoven: over intimiteit, gemis, over hoe we elkaar kwijt waren terwijl we aan dezelfde keukentafel zaten.
We zijn samen in relatietherapie gegaan. Niet om “over het vreemdgaan heen te stappen”, maar om te kijken of er nog iets te redden viel en wie we überhaupt nog waren samen. Het antwoord bleek ja. Geen sprookje, geen magische reset, maar een langzaam, pijnlijk proces waarin we leerden eerlijker zijn over wensen, verlangen en frustratie.
Wat die kroegnacht mij uiteindelijk gaf
Ik ga vreemdgaan nooit romantiseren. Het doet pijn, beschadigt vertrouwen en maakt meer kapot dan je lief is. Maar als ik radicaal eerlijk ben, is die kroegnacht wel een keerpunt geweest.
Voor het eerst in jaren keek ik zonder filter naar mijn leven en durfde ik toe te geven dat “gewoon tevreden” eigenlijk “stijf van binnen” betekende. Dat ik niet alleen partner en moeder ben, maar ook een vrouw met verlangens, onzekerheden en behoefte aan aandacht.
Tom heb ik nooit meer gezien. Soms denk ik heel even aan hem als ik langs die kroeg fiets, maar hij is in mijn hoofd meer een symbool geworden dan een persoon. Niet “de man met wie ik vreemdging”, maar het alarmsignaal dat zei: zo kan het niet langer.
Ruben weet nog steeds niet alle details, en dat is ook niet nodig. Wat hij wél weet, is dat ik die nacht niet zomaar uit de lucht kwam vallen. En wat ik nu van mezelf weet, is dat ik nooit meer zó ver over mijn eigen grenzen wil gaan om pas te voelen dat ik leef.
Tegenwoordig gaan we samen vaker uit – soms gewoon naar een kroeg. Hij legt zijn hand op mijn bovenbeen onder de tafel, ik voel die oude rilling en denk: dit is waar ik het voor doe. Niet om perfect te zijn, maar om wakker te blijven in mijn eigen leven.