hoe één onenightstand mijn relatie onverwachts veranderde

Mijn stoute nacht in de ‘meat market’

Daar sta ik dan, tegen de bar geleund in een van die kroegen in Rotterdam die tot in de vroege uurtjes open zijn. Ze noemen het hier gekscherend een meatmarket, en eerlijk is eerlijk: dat is precies waarom ik er graag kom. Niet om mijn grote liefde te vinden, maar om weer even te voelen dat ik meer ben dan “mama van” en “collega van”.

Ik ben 38, woon samen met Mark, we hebben twee kinderen, een gezellige rijtjeswoning en een hypotheek waar je u tegen zegt. Op papier heb ik niets te klagen. Maar ergens onderweg ben ik mezelf een beetje kwijtgeraakt. De vrouw die spontaan tot vijf uur ’s ochtends kon dansen, bestaat in mijn huidige leven alleen nog in herinneringen – en op avonden als deze.


Waarom ik hier eigenlijk sta

Mark denkt dat ik een “meidenavond” heb met collega’s. Technisch gezien is dat ook zo; we zijn met z’n drieën begonnen aan de wijn. Maar zij zijn al lang naar huis en ik ben blijven hangen. Niet omdat ik dronken ben of niet naar huis wíl, maar omdat ik even geen rekening wil houden met bedtijden, broodtrommels en vergaderingen.

Met elke slok wijn voel ik de spanning van thuis en werk langzaam van me afglijden. Ik zie mannen in pakken, gasten in T‑shirts met veel te strakke mouwen, groepjes vrouwen die elkaars lipstick goedpraten. En ik merk dat ik bekeken word. Niet opdringerig, maar net lang genoeg om het te voelen. Dat doet iets met me wat ik thuis al lang niet meer zo intens voel.


De ontmoeting met Daan

Hij valt me eerst op vanwege zijn glimlach. Donker overhemd, opgerolde mouwen, lichtgrijze stoppelbaard. Hij ziet er niet perfect uit – en juist dat maakt hem gevaarlijk aantrekkelijk. Als ik naar de wc loop, maakt hij net een grap tegen de barman en vangt daarna mijn blik. Ik glimlach automatisch terug. Fout moment, denk ik meteen. Maar het is al te laat.

Terug bij de bar staat hij ineens naast me.

“Was die glimlach voor mij of voor de wijn?” vraagt hij.

“Voor de wijn,” zeg ik, net iets te snel.

“Dan ga ik nu heel hard mijn best doen om vanavond leuker te zijn dan je glas.”

Hij zegt het zonder knipogen, zonder gladde versiertrucs. Gewoon rustig, alsof hij geen haast heeft. We raken aan de praat. Over werk, series, festivals waar we ooit heen gingen. Hij vraagt niets over kinderen of partners, en ik vertel niets. De onuitgesproken afspraak hangt al snel tussen ons in: dit gaat over nú, niet over daarbuiten.


De grens die langzaam verschuift

Alcohol is niet het enige wat warm maakt vanavond. Ik voel zijn hand af en toe subtiel tegen mijn arm komen als hij iets zegt. Ik merk dat ik dichter naar hem toe sta dan nodig is. Mijn innerlijke stem probeert nog even de wijste te zijn: “Je kunt nu nog gewoon naar huis, je hebt niks fout gedaan.”

Maar dan buigt hij zich naar me toe om iets in mijn oor te zeggen en ik ruik zijn geur. Fris, een vleugje aftershave, een beetje rook die aan zijn overhemd is blijven hangen. In een flits stel ik me voor hoe het zou zijn om die geur in mijn kussen te ruiken.

“Heb je nog tijd voor één drankje in een rustigere kroeg?” vraagt hij.

Ik denk aan Mark, die waarschijnlijk op de bank in slaap is gevallen met Netflix nog aan. Aan de appjes: “Amuseer je, schat!” en het duimpje dat ik terugstuurde. Ik weet precies waar de grens ligt – en ik weet ook dat ik hem nu zelf ga verleggen.

“Eén,” zeg ik. “Maar dan ga ik naar huis.”

We weten allebei dat ik lieg.


Het moment van kiezen

We belanden in een kleiner café, om de hoek. Minder lawaai, zachter licht. Ik voel me lichter, vrijer, en tegelijkertijd zwaarder door de spanning die in mijn maag is gaan zitten. We zitten dicht naast elkaar op een bankje. Zijn knie raakt de mijne en blijft liggen. Ik haal mijn knie niet weg.

“Je bent anders dan de vrouwen die hier normaal zitten,” zegt hij. “Je kijkt… bewuster, of zo.”

“Dat is een nette manier om te zeggen dat ik ouder ben,” grap ik.

Hij lacht, schudt zijn hoofd. “Nee. Meer alsof je precies weet wat je doet.”

En dat is precies het pijnpunt. Want ik wéét wat ik doe. Ik weet hoe dit soort avonden eindigen. En toch blijf ik zitten.

Als hij mijn haar achter mijn oor strijkt, is het alsof er iets in mij klik zegt. De twijfel, de voice of reason, de stem die zegt “denk aan de kinderen” – ze worden op mute gezet. Wat overblijft, is het fysieke: zijn hand, mijn huid, de warmte tussen ons in.

“Zullen we ergens heen gaan waar we niet om het kwartier gestoord worden door dronken mensen?” vraagt hij zacht.

Ik knik.


De hotelkamer

We nemen een taxi. Niet naar mijn stad, niet naar zijn huis – naar een anoniem hotel langs de snelweg. De afstand is kort en lang tegelijk. Buiten razen lantaarnpalen voorbij, binnen hangt een stilte vol verwachting.

In de lift vang ik mijn spiegelbeeld in het roestvrij staal. Iemand anders had kunnen uitstappen. Ik blijf staan.

De hotelkamer is standaard: groot bed, neutrale schilderijen aan de muur, een bureaulampje dat net te fel is. Zodra de deur dichtvalt, verandert het in een soort bubbel waar de buitenwereld niet bestaat.

Wat er daarna gebeurt, is geen romantische film. Het is rauw, ongeduldig, gretig. Ik voel me weer 25, maar tegelijk veel zekerder dan toen. Ik laat me niet meenemen; ik kies mee. Ik bepaal net zo hard het tempo als hij.

Op het nachtkastje trilt mijn telefoon een paar keer. Mark, zie ik in een flits, voordat ik het scherm omgekeerd neerleg. Het schuldgevoel tikt even tegen mijn borst, maar de hitte in mijn lijf wint.


De ochtend erna

Ik word wakker van het licht dat langs de gordijnen prikt. Een paar seconden lang weet ik niet waar ik ben. Dan voel ik een arm losjes over mijn buik heen. Daan ligt naast me, half op zijn buik, mond een beetje open. Hij ziet er jonger uit in zijn slaap.

“Goedemorgen,” mompelt hij, wanneer hij merkt dat ik wakker ben.

“Goedemorgen,” zeg ik. Mijn stem klinkt anders. Rustiger. Zwaarder, misschien.

We praten niet over gisteravond. We lachen wat, douchen om de beurt, drinken laffe hotelkoffie. Geen groot drama, geen beloftes, geen “wanneer zie ik je weer?”. Alleen een paar korte blikken waarin meer gezegd wordt dan goed voor ons is.

Als we de lobby uitlopen, blijven we even voor de deur staan.

“Wil je mijn nummer?” vraagt hij.

Ik denk aan mijn leven thuis, aan mijn kinderen die nu waarschijnlijk hun ontbijt krijgen van een slaperige Mark. Aan de wasmand, de agenda, de vergaderingen.

“Nee,” zeg ik. “Dit was precies goed zo.”

Hij knikt. “Dat dacht ik al.”

We geven elkaar een korte kus, geen Hollywood-omhelzing, en lopen ieder een andere kant op.


Thuis: een andere versie van mij

In de trein naar huis staar ik naar mijn spiegelbeeld in het raam. Ik lijk niet veranderd, en toch voelt alles anders. Niet omdat ik nu “de vrouw ben die is vreemdgegaan”, maar omdat ik weer iets heb teruggevonden wat ik kwijt was: het besef dat ik meer ben dan alleen de rollen die ik thuis en op werk speel.

Het schuldgevoel is er – natuurlijk. Maar het is minder verlammend dan ik vreesde. Het zit naast een ander gevoel: kracht. Ik heb bewust gekozen, niet uit leegte, maar uit verlangen naar spanning, gezien worden, voelen dat ik leef.

Thuis staat Mark in de keuken pannenkoeken te bakken met de kinderen. Meel op de grond, stroop op het aanrecht. Hij lacht als hij me ziet. Ik loop op hem af, sla mijn armen om hem heen en kus hem langer dan normaal. Hij kijkt verrast, maar blij.

“Was het leuk gister?” vraagt hij.

“Ja,” zeg ik. “Het was… precies wat ik nodig had.”

En voor het eerst in lange tijd voel ik dat ik niet meer op automatische piloot leef. Ik draag mijn geheim met me mee, niet als een steen, maar als een stille herinnering aan de nacht waarop ik mezelf weer even terugvond.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *