Toen Koen en ik gingen samenwonen, voelde het als een volwassen keuze. Geen gedoe, geen grote drama’s, geen discussies over een kinderwens (die hadden we allebei niet). We werkten allebei hard, leefden soms langs elkaar heen door drukke weken, en juist dat rustige ritme vond ik ergens ook fijn.
Alleen: na een tijd merkte ik dat “fijn” niet hetzelfde is als “vol”. Ik miste het onvoorspelbare. Het gevoel dat je even niet weet waar een avond eindigt. Ik schaamde me daarvoor, want Koen deed oprecht zijn best. Hij was lief, betrouwbaar, en precies het soort partner dat je vriendinnen je toewensen.
Op kantoor kwam Daan erbij op een project. Niet mijn type op papier: iets te casual, iets te gevat, altijd met een halfgrijns alsof hij een grap achter de hand had. Maar juist dat maakte het licht. We zaten vaak samen in overleggen, liepen na afspraken nog even een rondje om “het plan scherp te krijgen” en eindigden dan ineens bij koffie die veel te laat op de middag was.
Het begon onschuldig, zoals die dingen bijna altijd beginnen. Een opmerking die net iets langer bleef hangen. Een blik die je opvangt en waarvan je denkt: oké, dat voelde anders. En dan dat ene moment bij het kopieerapparaat—hij raakte heel even mijn arm aan terwijl hij langs me moest, en mijn lijf reageerde sneller dan mijn hoofd.
Vanaf dat punt werd het een emotionele affaire voordat het ooit lichamelijk werd. Appjes na werktijd. Een meme, dan een voicebericht, dan een vraag die net iets persoonlijker was dan collega’s onderling “horen” te vragen. “Ben je eigenlijk gelukkig?” bijvoorbeeld. Alsof hij per ongeluk op de deur klopte waar ik zelf al maanden niet naar durfde te kijken.
Ik vertelde hem dat het thuis goed was, maar vlak. Dat ik Koen miste op een manier die ik niet kon uitleggen, omdat hij er wél was, maar niet echt… aanwezig. Daan vertelde op zijn beurt dat hij ook niet alles thuis kon bespreken. Dat hij het idee had dat hij vooral de stabiele versie van zichzelf moest zijn. En zonder dat we het hardop zeiden, maakten we van elkaar een plek waar we even niet hoefden te presteren.
De eerste keer dat het fysieke grensje verschoof, was na een borrel met collega’s. Ik had al drie keer “ik ga zo naar huis” gezegd, maar we bleven praten buiten, in de kou, alsof we een scène uit een film aan het rekken waren. Hij vroeg of ik oké was. Ik knikte. Hij stapte dichterbij. En ik deed niks om het te stoppen.
Ik kan er geen romantisch sprookje van maken: het was vreemdgaan. Het was stiekem. Het was plannen, wissen, opletten. Maar het was óók een soort wakker worden. Alsof ik ineens weer kleuren zag die ik vergeten was. Ik lachte meer. Ik voelde me aantrekkelijker. En het vreemde was: ik nam die energie mee naar mijn eigen leven. Ik sportte weer, ik kleedde me met meer plezier aan, ik was scherper op mijn werk.
Het dubbele leven gaf spanning, maar ook stress. Ik werd paranoïde van notificaties. Ik zette mijn telefoon op stil, maar checkte hem juist daardoor nóg vaker. Ik vond mezelf soms zielig: een volwassen vrouw die op het toilet stond te typen alsof ze zestien was. Tegelijk dacht ik: wanneer heb ik me voor het laatst zó levendig gevoeld?
Wat het ingewikkeld maakte, was dat Daan en ik niet alleen maar “zin” waren. Het ging óók om gezien worden. Hij luisterde naar kleine dingen: hoe ik mijn koffie drink, dat ik stilval als ik me niet veilig voel, dat ik altijd alles wil oplossen voor iedereen. En hij zei dan: “Je hoeft bij mij even niks.” Dat was gevaarlijk prettig.
Na een paar maanden kwam de reality check. Daan vertelde me dat zijn partner weer zwanger wilde worden—en dat het waarschijnlijk dit jaar zou gebeuren. Hij zei het voorzichtig, alsof hij me alvast wilde laten wennen aan het einde dat eraan zat te komen. En ik hoorde mezelf “natuurlijk” zeggen, alsof ik er boven stond. Maar in mijn buik voelde ik iets knappen.
Die avond dacht ik niet eens vooral aan hem. Ik dacht aan mezelf. Aan hoe makkelijk ik in een verhaal was gestapt waarin ik op de tweede plek paste, zolang ik maar mijn eigen verlangen niet hoefde te bespreken thuis. Ik had mezelf wijsgemaakt dat ik “niks kapot maakte”, omdat Koen en ik toch zo stabiel waren. Maar stabiliteit is niet hetzelfde als eerlijkheid.
Ik besloot twee dingen. Eén: ik zou niet blijven hangen in een affaire die alleen maar kan bestaan in schaduw. Twee: ik moest stoppen met doen alsof ik geen keuzes had.
Met Daan sprak ik af dat we het zouden afronden. Geen dramatische laatste nacht, geen belofte om “ooit” samen te zijn. Gewoon: dit was het. En ja, dat deed pijn. Maar ik merkte ook iets anders: opluchting. Omdat ik weer mijn eigen leven terugpakte.
Thuis ben ik niet ineens alles gaan opbiechten. Niet omdat ik stoer ben, maar omdat ik wist dat een bekentenis ook een vorm van ontladen kan zijn: mijn schuld eruit gooien en hem met de brokstukken laten zitten. Wat ik wél deed, was eindelijk praten over wat ik miste. Niet in verwijten, maar in verlangens. Over intimiteit. Over aandacht. Over het feit dat ik me soms meer huisgenoot dan geliefde voelde.
Koen schrok. Hij was even stil en toen zei hij iets simpels: dat hij ook dacht dat “het gewoon druk” was, en dat hij niet doorhad hoe ver ik al weg was gedreven. We hebben geen perfecte oplossing gevonden in één gesprek, maar we hebben wél een eerlijk begin gemaakt.
En dat is wat die affaire me, hoe ingewikkeld ook, uiteindelijk bracht: niet alleen spanning, maar zelfinzicht. Ik leerde dat verlangen niet verdwijnt als je het negeert—het zoekt alleen een andere uitweg. Nu kies ik liever voor een uitweg met licht erop, zelfs als dat spannend is.